Feodale stelsel

Het feodale stelsel is gebaseerd op het principe van leenheer en leenmannen; van belofte en trouw, van bewerken van land en afstaan van opbrengst.

Het begon allemaal bij Koning Karel de Grote. Toen zijn rijk zo groot begon te worden dat hij het onmogelijk in z'n eentje onder controle kon houden, gaf hij als eerste leenheer zijn land als het ware 'in (bruik) leen' bij de zogenaamde leenmannen. Koning Karel kon op deze manier een groot deel van Europa bezitten.

Deze leenmannen hadden op hun beurt weer boeren in dienst (veelal lijfeigenen zonder rechten) die deze grond moesten bewerken. In ruil hiervoor kregen de boeren bescherming en een schamel, vaak ontoereikend deel van de landbouwopbrengst voor eigen gebruik. Deze voor de boeren uitzichtloze situatie bleef van generatie op generatie voortduren.

In deze feodale maatschappij waren twee standen, die van de geestelijken en die van de adel (leenmannen). De derde stand, die van de vrije boeren en burgerij kreeg pas veel later enige vrijheid en invloed.